Dr. Gershom
  • OVER | ABOUT
  • BLOGS
  • MOKUM
  • BOEKEN | BOOKS
  • PRODUCTEN | TOOLS
  • CONSULTATIE | CONSULTATION
  • Contact

Een wekelijkse blog over het Joodse leven, gebaseerd op teksten uit de Torah, de Geschriften en de Profeten.
[A serie of blogs about a Jewish inspired lifestyle based on Jewish philosophy and psychology]
 

Click below this page to read previous blogs or click forward. Onderaan pagina kan je klikken voor voorgaande of volgende Blogs.
​

Be inspired by Dr. Gershom and his ideas about the magic of a meaningful and joyful life!

Picture

Jewish Life. De Aard van de Mens: deel 2

23/10/2025

0 Comments

 
Het leven kent vele tegenstrijdigheden en paradoxen. Volgens Rabbi Joseph B. Soloveitchik is het bij uitstek de Joodse Bijbel die zich bezighoudt met de tegenstrijdigheden in het menselijk bestaan – met menselijke kleinheid én grootsheid, met hoop en wanhoop, met overwinningen en mislukkingen.
Volgens Soloveitchik manifesteert een van die tegenstrijdigheden zich in twee aspecten van de menselijke natuur. Hij beschrijft die in zijn bekende werk The Lonely Man of Faith aan de hand van twee typologische categorieën van de mensheid. De tweevoudige typologie is gebaseerd op de beide scheppingsverhalen van de mens in het eerste boek en tevens eerste parashah van de Bijbel, het boek Beresjiet. De twee dimensies of typen van mens-zijn, zijn volgens Soloveitchik twee menselijke idealen: de Majestueuze, creatieve Mens en de Verbondsmens. In Blog #95 hebben we een eerste typologische categorie beschreven, de mens als majestueus en creatief wezen. In deze blog beschrijven we het tweede menselijke ideaal: het archetype van de Verbondsmens. Voor alle specifieke verwijzingen en een diepgaandere analyse verwijs ik naar mijn aankomende boek A Life of Meaning and Joy: In Search of Social Identity Man (Pomerantz, Q1 2026).

De Verbondsmens: inleiding.                                                                                                                             
Op grond van het tweede scheppingsverhaal in Beresjiet kan gesteld worden dat de mens kwetsbaar en alleen is. Zijn bestaan wordt geleid door het verlangen naar verlossing. Hij verlangt naar een intieme relatie met God en met zijn medemens, om zo zijn gevoel van onvolledigheid en ontoereikendheid te overstijgen. Dit bewustzijn van zijn ontologische uniekheid vormt een wezenlijk onderdeel van de menselijke natuur. Rabbi Soloveitchik schrijft: “Ieder mens vertegenwoordigt een kleine wereld, waarvan de waarde tot uitdrukking komt in zijn eigenheid en afzonderlijkheid.”

In Beresjiet 2 lezen we: “En de Eeuwige God formeerde de mens uit het stof van de aarde, en blies in zijn neusgaten de adem des levens; en de mens werd tot een levende ziel. En de Eeuwige God plantte een tuin in Eden, in het oosten... En de Eeuwige God nam de mens en plaatste hem in de tuin van Eden om die te bewerken en te bewaren.”

Dit scheppingsverhaal verschilt wezenlijk van het eerste verslag in het eerste hoofdstuk van Beresjiet. De mens, gevormd uit het stof der aarde en bezield door Gods levensadem, verschijnt hier als een eenling – alleen, geïsoleerd. Hij is de eenzame mens, man persona (of man humanus). De eenzame mens is zich aldus allereerst bewust van zijn kwetsbaarheid. “Het leven is slechts ademtocht, een vluchtige adem,” zegt Kohelet. Vanuit het perspectief van de eeuwigheid zijn wij niets – niet meer dan een scherf, een grasspriet, een verwelkende bloem, een schaduw, een wolk, een ademtocht van wind. Zoals de psalmist verwoordt (Psalm 103): “Hij herinnert zich dat wij stof zijn. Als gras zijn de dagen van de sterveling; als een veldbloem bloeit hij op. Wanneer de wind over hem gaat, is hij niet meer, en zijn plaats kent hem niet langer.”

In Pirkei Avot 3:1 lezen we: “Overdenk drie dingen… Weet vanwaar je komt, waarheen je gaat, en voor wie je rekenschap zult afleggen. ‘Vanwaar je komt’ – van een bedorven druppel; ‘waarheen je gaat’ – naar een plaats van stof, wormen en maden; en ‘voor wie je rekenschap zult afleggen’ – voor de Koning der koningen, de Heilige, gezegend zij Hij.”  “Gedenk dat wij stof zijn,” zingen wij op Rosh Hashanah tijdens Avinoe Malkeinoe. Wij zijn stof op het oppervlak van de oneindigheid. Veel van wat wij tot stand brengen is tevergeefs; wij vinden geen rust totdat wij tot het stof terugkeren.

De mens is gegrond in stof en keert tot stof terug.
Hij legt zijn ziel in om brood te verdienen.
Hij is als een gebroken scherf,
als verdord gras,
als een verwelkte bloem,
als een vluchtige schaduw,
als een voorbijtrekkende wolk,
als een adem van wind,
als wentelend stof,
als een droom die vervliegt.


De eenzame mens is zich vanuit deze ontologische positie bewust van zijn exclusiviteit en persoonlijke uniciteit. Zijn wereld is een wereld van veelvormigheid; hij voelt zich existentieel onzeker. Hij leeft in het verborgene – mysterieus, ondoorgrondelijk, zelfs voor zichzelf. In tegenstelling tot de scheppende en majestueuze aspecten van zijn persoonlijkheid vertegenwoordigt juist dit verborgen aspect zijn ware wezen. Niet de zon, maar de maan is het beeld dat deze verborgen kern symboliseert. Hij is de mens van het heiligdom.

Zoals reeds gezegd, verschijnt deze vertegenwoordiger van de mensheid aanvankelijk alleen. Zijn hulp en metgezel – een existentiële partner, eveneens uniek en enkelvoudig – verschijnt pas later. De eenzame mens heeft een levenspartner nodig, een medemens en vriend: “Het is niet goed dat de mens alleen (levaddo) is”(Beresjiet 2:18). Het woord levaddo heeft een dubbele betekenis: alleen-zijn en eenzaamheid. Volgens Rabbi Soloveitchik is het een feit dat “het niet goed is dat de mens levaddo is” een ontologisch axioma. Levaddo, ‘alleen’, duidt hier op een staat van neutraliteit en onverschilligheid. “Het is niet goed dat de mens alleen is,” betekent: het is niet goed dat de mens in afzondering blijft – want een niet-persoonlijk leven is een leven in isolement, een enkelvoudig bestaan. Eenzaamheid staat tegenover samen-bestaan: monoloog tegenover de stilte van de dialoog. De eenzame mens heeft een levenspartner nodig, niet enkel om praktische redenen, maar ook om ontologische redenen. Rabbi Soloveitchik schrijft: “De mens heeft hulp nodig – ook ontologisch. Een andere homo persona is noodzakelijk om het bestaan van de mens te voltooien, om het te vervullen met betekenis en richting.”

Binnen een ontologische gemeenschap kan de eenzame mens volledigheid en legitimiteit vinden. Zoals Buber zegt over het dialogische leven: “Waar de dialoog in haar wezen wordt vervuld, tussen partners die zich in waarheid tot elkaar hebben gewend, die zich zonder voorbehoud uitdrukken en vrij zijn van het verlangen naar schijn, daar ontstaat een gedenkwaardige gemeenschappelijke vruchtbaarheid die nergens anders te vinden is.”

De eenzame mens wordt aan zijn levenspartner voorgesteld in de dialectische uitdrukking ezer kenegdo – letterlijk: “een helper tegenover hem.” Dit wordt in Kohelet samengevat als een levenswijsheid: “Twee zijn beter dan één” (4:9). Zoals Rabbi Soloveitchik schrijft: “De samenwerking is de krachtigste drijvende motor in de ontwikkeling van zowel het individu als de samenleving.”

In tegenstelling tot het eerste hoofdstuk van Beresjiet, waar uitsluitend Gods naam Elokim wordt gebruikt, verschijnt in dit tweede hoofdstuk naast Elokim ook de Tetragrammaton, uitgesproken als Hashem. De mens ontmoet God hier met Zijn eigenlijke Naam – en omgekeerd. Er is sprake van intimiteit. Daarom wordt in het tweede hoofdstuk, waar het niet gaat over mens-natura (de kosmische mens), maar over mens-persona (de metafysische mens die zoekt naar een persoonlijke identiteit), juist de Naam Hashem gebruikt. Rabbi Soloveitchik: “Het beeld van Hashem weerspiegelt zich in het menselijke verlangen naar het schone en het edele, in liefde, in moederlijke tederheid en vaderlijke zorg, in alles wat groot, nobel en fascinerend is in de mens.”

Wanneer we het tweede scheppingsverhaal vervolgens zorgvuldig lezen, zien we het volgende: In tegenstelling tot zijn scheppende en majestueuze persoonlijkheid, waarin samenwerking wordt bereikt door verovering, moet de eenzame mens zich hier overgeven en terugtrekken: “En de Eeuwige God liet een diepe slaap op de mens vallen” (Beresjiet 2:21). In nederlaag en overgave vindt hij een levenspartner, en zo wordt hij in staat gesteld een gemeenschap te vormen die op verbond is gebaseerd. Een dergelijke gemeenschap is gegrond op toewijding en trouw, eerder dan op louter gedeelde belangen; op onvervreemdbare rechten van beide partijen en op wederzijdse instemming. Communicatie als een aspect van intimiteit is daarbij de sleutel. Door communicatie openen twee ingesloten en geïsoleerde menselijke existenties zich voor elkaar. Toch wijst Rabbi Soloveitchik op iets wezenlijks met betrekking tot taal en communicatie. Hij stelt: “Het woord is een paradoxaal instrument van communicatie, en bevat een innerlijke tegenspraak. Enerzijds is het woord het middel tot het uitdrukken van overeenstemming en verbondenheid – om tot wederzijds begrip te komen, gezamenlijke inspanning te organiseren en eendrachtige actie mogelijk te maken. Anderzijds is het woord ook het middel waarmee onderscheidt wordt uitgedrukt, incongruentie benadrukt en afzonderlijkheid onderstreept. Het woord onthult niet alleen wat twee existenties gemeen hebben, maar ook de eigenheid en uniciteit van elk afzonderlijk.”

Dat betekent dat de voortdurende wisseling tussen de twee bestaanswijzen nooit volledig kan worden gerealiseerd. Bijgevolg kan de mens zich in geen van beide werkelijk thuis voelen en wordt hij belast door eenzaamheid — een ontologische eenzaamheid. De daad van volledige verlossing is niet volledig verwezenlijkbaar. Wij streven naar harmonie, wetende dat dit streven tegelijk vergeefs is. Soloveitchik drukt dit als volgt uit: “Het is paradoxaal, maar niettemin waar, dat ieder mens zowel leeft in een existentiële gemeenschap, omringd door vrienden, als in een toestand van existentiële eenzaamheid en spanning, geconfronteerd met vreemden. In ieder mens tot wie ik mij verhoud als mens, vind ik zowel een vriend — want wij hebben veel gemeen — als een vreemde, want ieder van ons is uniek en volledig anders. Deze andersheid belemmert een volledige wederzijdse verstandhouding. De kloof van uniciteit is te groot om te overbruggen. In feite is het geen kloof, maar een afgrond.”

Deze toestand is tragisch, maar tegelijkertijd door God gewild — waardoor de mens wordt uitgedaagd zijn eigen lotsbestemming op een positieve manier vorm te geven. De mens wordt geboden om verder te gaan en zijn natuur te aanvaarden, vol strijd, innerlijke conflicten en paradoxen. Vanuit Joods perspectief manifesteert de verbondsgemeenschap zich in een drievoudige eenheid: Ik, Jij en Hij. In dit scheppingsverhaal ontmoet de mens Hem in nederigheid en overgave. Hij is de ‘heilige mens’. Volgens Soloveitchik brengt dit een innerlijke verandering teweeg in de persoon zelf. Heiligheid bevrijdt van binnenuit — een noodzakelijke voorwaarde om relaties aan te gaan en te onderhouden. Een afstandelijk bestaan wordt omgevormd tot een samen-bestaan. Zo bereiken wij ontologische heelheid, in het besef dat ontologische eenzaamheid altijd deel van ons bestaan zal blijven! In het leven van een mens is dit een van de belangrijkste paradoxen om mee om te gaan. Hoe sterk persoonlijke verbondenheden als huwelijk of vriendschap ook zijn, de modi existentiae blijven volledig uniek en daardoor onverenigbaar, zowel op ontologisch als op ervaringsniveau. Vanuit Joods-filosofisch perspectief bestaat er altijd een tweedeling tussen eenzaamheid en gemeenschap. Beide zijn ware bestaansvormen, maar ze sluiten elkaar wederzijds uit. Eenvoudig gezegd: er is geen ontsnappen aan een zekere mate van eenzaamheid. Dit geldt voor ieder mens. Daarom zegt men weleens: je wordt alleen geboren en sterft alleen. 
Het bovenstaande impliceert ook het volgende: in tegenstelling tot zijn scheppende aard en zijn functionele vragen over het ‘hoe’, stelt de solitaire mens vragen als ‘Waarom is het zo?’, ‘Wat is het?’, en ‘Wie is het?’ Hij vraagt: ‘Wat is het doel van het leven?’ en ‘Wie is God, wiens levensadem ik voortdurend voel en die tegelijkertijd zo veraf blijft?’ Dit aspect van zijn wezen zoekt het beeld van God niet in natuurwetten, maar in elke lichtstraal, elke knop en bloem, in de ochtendbries en de stilte van een sterrennacht. Als nederig en toegewijd schepsel verlangt hij naar een levende verbondenheid met zijn Schepper en met andere mensen. Hij vindt betekenis in relaties — met de Ander en met de menselijke gemeenschap. Tegelijk moet hij durven op eigen benen te staan en betekenis ervaren in zijn uniciteit. Het Bijbelboek Job is wellicht het meest uitgesproken voorbeeld van een narratief over dit thema. 
​
Zoals gezegd, wordt de solitaire mens geleid door het verlangen naar verlossing, om zijn gevoel van onvolledigheid te overwinnen. Het leven mag zwaar zijn, zegt hij, maar het kan nog steeds zoet zijn. Hij zegt: ‘Ik heb geen rijkdom nodig om rijk te zijn, geen macht om sterk te zijn. Ik leef voor eenvoudige dingen: de verbondenheid met God, de liefde voor mezelf, de liefde voor mijn man of vrouw, de band met mijn kinderen en de gemeenschap — waar wij anderen helpen en anderen ons helpen, en waar wij leren dat vreugde (simcha) verdubbelt en verdriet wordt gehalveerd wanneer het gedeeld wordt.’ Daden van liefdevolle goedheid (chesed) staan centraal in zijn dagelijks handelen. In deze verbondenheden ligt het geheim van ware vreugde. Dit is de kern van het Bijbelboek Kohelet.

De mens en zijn uitdagingen                                                                                                                              
De twee scheppingsverhalen over de mens tonen twee aspecten of typen van mens-zijn, twee menselijke idealen: de Majestueuze Mens (Blog #95) en de Verbondsmens [deze blog]. Wij zijn majestueuze heersers over de schepping en worden opgeroepen creatief te zijn. We worden letterlijk door de Eeuwige opgedragen een bijdrage te leveren aan een betere wereld (Bereshit 1). Maar wij ervaren tegelijkertijd ook existentiële eenzaamheid. Wij zoeken verbond en verbondenheid (Bereshit 2). De grote uitdaging voor de mens is om deze twee onvergelijkbare aspecten van zijn natuur te integreren. De mens moet proberen zowel waardigheid als verlossing na te streven — door creatief, sociaal (in de relatie met anderen) en intiem met God te zijn. Deze uitdaging om beide aspecten van de menselijke natuur te verenigen is een spanningsvolle onderneming. Het is, per definitie, een leven vol tegenstrijdigheden, paradoxen en onzekerheden. 
Daarom vragen wij God om het werk van onze handen te bevestigen (Psalm 90). Kort gezegd: om deze uitdaging aan te gaan en in ons leven gestalte te geven, hebben wij Zijn steun nodig. 
 

Click on 'previous' to read more Blogs (Klik op 'vorige' voor meer Blogs).
0 Comments

Your comment will be posted after it is approved.


Leave a Reply.

Proudly powered by Weebly
  • OVER | ABOUT
  • BLOGS
  • MOKUM
  • BOEKEN | BOOKS
  • PRODUCTEN | TOOLS
  • CONSULTATIE | CONSULTATION
  • Contact